U bent hier :  FAQ » Bevolking »De inschrijving in de bevolkingsregisters

De inschrijving in de bevolkingsregisters

  • print
Laatste nieuws

Geen nieuws in deze lijst:

Algemeenheden

Toon alle antwoorden
Verberg alle antwoorden
  • Wie is er ingeschreven in de bevolkingsregisters?

    In de bevolkingsregisters worden ingeschreven, op de plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben, ongeacht of zij er aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn, de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om in het Rijk te verblijven voor een periode van meer dan 3 maanden of zich er te vestigen, met uitzondering van de vreemdelingen die ingeschreven zijn in het wachtregister.

    De vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd worden om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven, worden ingeschreven in het vreemdelingenregister. De vreemdelingen die door de Minister bevoegd inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of zijn gemachtigde toegelaten of gemachtigd zijn om zich in het Rijk te vestigen, worden ingeschreven in het bevolkingsregister sensu strictu.

  • Hoe bepaalt men de hoofdverblijfplaats van een persoon?

    Overeenkomstig artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, moet elke persoon ingeschreven worden in de registers van de gemeente waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft.

    De bepaling daarvan is gebaseerd op een feitelijke situatie, dat wil zeggen de vaststelling van een effectief verblijf in de gemeente gedurende het grootste deel van het jaar. Deze vaststelling gebeurt op basis van elementen zoals de plaats waarheen de persoon gaat na zijn werk, het gewone verblijf van de echtgenoot of van de andere leden van het huishouden, het gas- en elektriciteitsverbruik, de telefoonkosten, enz.

    Het volstaat niet dat iemand enkel de bedoeling uit om zijn hoofdverblijfplaats op een gegeven plaats te vestigen of dat iemand een eigendomsbewijs, een huurcontract of een ander woonbewijs voorlegt, om de inschrijving als hoofdverblijfplaats te rechtvaardigen. Om de realiteit van de verblijfplaats na te gaan, wordt er immers door de gemeentelijke overheden een onderzoek uitgevoerd, waarvan de modaliteiten moeten worden vastgesteld door een gemeenteverordening krachtens artikel 5 van de wet van 19 juli 1991en artikel 10 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister.

  • Wanneer is een domicilie fictief?

    Het begrip 'fictief domicilie' is niet reglementair gedefinieerd. De vaststelling dat een domicilie geen werkelijke hoofdverblijfplaats is, betekent dat het een fictief domicilie betreft. Naargelang het geval dient dan een weigering tot inschrijving, een inschrijving in een andere gemeente, een afvoering van ambtswege of een afvoering voor het buitenland te gebeuren.

  • Moet een woning bestaan uit een minimum aantal m2 per inwoner en moet ze op een bijzondere manier uitgerust zijn, opdat ze als hoofdverblijfplaats zou kunnen worden gebruikt?

    Neen, in de reglementering op de bevolking staat geen enkele bepaling betreffende de oppervlakte en de minimumuitrusting waarover een als hoofdverblijfplaats gebruikte woning moet beschikken. Er bestaan daarentegen dergelijke normen in bepaalde regionale wetgevingen.

    Krachtens artikel 1, §1, 1°, tweede lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen kunnen de personen die zich vestigen in een woning waarin permanente bewoning niet is toegelaten om redenen van veiligheid, gezondheid, urbanisme of ruimtelijke ordening, zoals vastgesteld door de daartoe bevoegde gerechtelijke of administratieve instantie, enkel door de gemeente voorlopig worden ingeschreven in de bevolkingsregisters. Hun inschrijving blijft voorlopig zolang de hiertoe bevoegde gerechtelijke of administratieve instantie geen beslissing of maatregel heeft genomen om een einde te maken aan de aldus geschapen onregelmatige toestand. De voorlopige inschrijving neemt een einde zodra de personen de woning hebben verlaten of een einde wordt gesteld aan de onrechtmatige toestand.

  • Moeten de notarissen ingeschreven worden in de bevolkingsregisters van de gemeente waar hun kantoor gevestigd is of waar zij werkelijk verblijven?

    Elke persoon moet worden ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeente waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft en deze bepaling is eveneens van toepassing op de personen waarvan de woonplaats geregeld wordt door artikel 107 van het Burgerlijk Wetboek.

    Wat de notarissen betreft, bepaalt artikel 4 van de wet van 25 ventôse – 5 germinal jaar XI op het notarisambt dat iedere notaris verblijf moet houden in de standplaats hem door de Koning aangewezen. Een arrest van het Hof van Cassatie van 29 november 1984 bepaalt dat onder « verplicht verblijf te houden in de standplaats hem door de Koning aangewezen » moet worden verstaan dat de notaris er een kantoor moet hebben dat normaal voor de cliënteel toegankelijk is en waar hij zich gewoonlijk ter beschikking van de cliënteel houdt.

    Er is bijgevolg geen tegenstelling tussen de reglementering op het houden van de bevolkingsregisters en het statuut van de notarissen. De notaris die zijn hoofdverblijfplaats op een ander adres dan zijn kantoor vestigt, moet dus worden ingeschreven in de bevolkingsregisters op het adres van zijn effectieve hoofdverblijfplaats.

  • Zijn de gemeenten ertoe gehouden de personen die bepaalde woningen "kraken", in hun registers in te schrijven?

    Aangezien de bepaling van de hoofdverblijfplaats op een feitelijke situatie gebaseerd is, dat wil zeggen de vaststelling van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar, kan een gemeentebestuur de inschrijving in de bevolkingsregisters van personen die zonder toestemming of recht hun effectieve verblijfplaats in onbewoonde gebouwen gevestigd hebben, niet weigeren. Deze inschrijving is nochtans nooit gelijk aan een machtiging om de bovengenoemde gebouwen te bezetten.

    Bovendien moeten de eigenaars bij de vrederechter de uitzetting van de krakers eisen.

  • Wanneer en aan wie moet een wijziging van hoofdverblijfplaats aangegeven worden?

    Wanneer men van gemeente verandert, moet de adreswijziging aangegeven worden bij het gemeentebestuur van de plaats waar men zich komt vestigen. In het geval dat de hoofdverblijfplaats overgebracht wordt binnen dezelfde gemeente, moet de verklaring van adreswijziging gebeuren bij het gemeentebestuur waar men reeds ingeschreven is. De aangifte moet binnen acht werkdagen gebeuren nadat de nieuwe woning effectief betrokken wordt.

    De gemeenteambtenaar die de aangifte van adreswijziging behandelt, op basis van een aangifte aan het loket of een schriftelijke aangifte, controleert in het Rijksregister (IT003 of IT005/019) of er in een andere gemeente nog een onderzoek loopt naar de bepaling van de hoofdverblijfplaats. In dat geval moet er zo snel mogelijk contact opgenomen worden met de andere gemeente teneinde alle nuttige informatie te kunnen uitwisselen.

    Als er geen verblijfplaatsonderzoek meer loopt, registreert de gemeenteambtenaar de (nieuwe) informatie betreffende het adres in het Rijksregister (IT005/019).

    Bij de overbrenging van de hoofdverblijfplaats naar een ander land, moet de aangifte gebeuren in de Belgische gemeente waar de persoon ingeschreven is ten laatste de vooravond van het vertrek.

    Het volstaat niet dat iemand enkel de bedoeling uit om zijn hoofdverblijfplaats op een gegeven plaats te vestigen of dat iemand een eigendomsbewijs, een huurcontract of een ander woonbewijs voorlegt, om de inschrijving als hoofdverblijfplaats te rechtvaardigen. Om de realiteit van de verblijfplaats na te gaan, wordt er immers door de gemeentelijke overheden een onderzoek uitgevoerd, waarvan de modaliteiten moeten worden vastgesteld door een gemeenteverordening krachtens artikel 5 van de wet van 19 juli 1991 en artikel 10 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister.

  • Wie voert het onderzoek naar de verblijfplaats uit en wie legt de nadere regels hiervan vast?

    Krachtens artikel 7, § 5 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, geeft elke verklaring van verandering van verblijfplaats aanleiding tot een onderzoek van de reële verblijfplaats door de gemeentelijke overheid. Een dergelijk onderzoek is eveneens vereist bij een wijziging van de hoofdverblijfplaats in dezelfde gemeente. Dit onderzoek moet in principe uitgevoerd worden binnen de 15 dagen die volgen op de aangifte van de verblijfsverandering.

    Krachtens artikel 5 van de wet van 19 juli 1991 en artikel 10 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, moet de gemeenteraad in een verordening de modaliteiten bepalen volgens welke het onderzoek van de verblijfplaats moet worden uitgevoerd. De bovengenoemde gemeenteverordening kan eveneens het model van het verslag bepalen dat daartoe moet worden gebruikt.

    Zoals bepaald in artikel 5 §2 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten en de verblijfsdocumenten, zal deze verordening ter goedkeuring voorgelegd worden aan de minister die bevoegd is voor Binnenlandse Zaken of aan zijn afgevaardigde. De Koning bepaalt de nadere regels en termijnen van deze voorafgaande goedkeuring.

    De Koning legt eveneens een model van verordening vast waarop de gemeenten zich kunnen beroepen.

    Wanneer de gemeenteraad een dergelijke verordening niet vastlegt binnen de 6 maanden na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het voornoemde model van verordening, of in geval van niet-goedkeuring door de minister die bevoegd is voor Binnenlandse Zaken van de door de gemeenteraad vastgelegde verordening, zal het model van verordening ambtshalve van toepassing zijn tot er een verordening opgesteld of aangepast door de gemeenteraad, is goedgekeurd.

    Deze verordening moet door de burger kunnen worden geraadpleegd, bijvoorbeeld via de gemeentelijke website.

    Wanneer het onderzoek door de wijkagent het niet mogelijk maakt om met voldoende zekerheid de realiteit van de effectieve hoofdverblijfplaats vast te stellen, mag de gemeente aan de watermaatschappijen en/of energieleveranciers vragen om een overzicht te bezorgen van het water- en/of energieverbruik aan het betreffende adres.

    Deze maatschappijen en leveranciers moeten de gevraagde informatiegegevens gratis meedelen. Enkel de gegevens betreffende het reële verbruik worden meegedeeld.

  • Wat als iemand op een vast adres verblijft en er zijn inschrijving vraagt, terwijl men vaststelt dat een andere persoon reeds op dat adres werd ingeschreven?

    Vóór elke inschrijving moet het gemeentebestuur nagaan of de woning waar de inschrijving wordt gevraagd, niet met een andere inschrijving is bezwaard. Het is immers de lokale overheid die in de eerste plaats verantwoordelijk is voor het houden van de registers en de bepaling van de hoofdverblijfplaats.

    Als er reeds een inschrijving op dat adres bestaat, moet de persoon die zijn inschrijving in diezelfde woning aanvraagt, verwittigd worden, en moet eventueel een procedure ingezet worden die gericht is op het verwijderen of het rechtzetten van de vorige inschrijving (afvoering van ambtswege als de actuele verblijfplaats van de daarvoor ingeschreven persoon niet kan worden bepaald en als die persoon niet in een strafinrichting zit; maatregelen om de inschrijving in een andere gemeente te bewerkstelligen; …).

    Dat betekent helemaal niet dat de nieuwe inwoner er niet kan worden ingeschreven. De datum van inschrijving is in principe die waarop de adreswijziging werd uitgevoerd. Als het onderzoek van de effectieve verblijfplaats echter duidelijk aantoont dat, op het moment van de verklaring van adreswijziging, de betrokkene zijn hoofdverblijfplaats nog niet kon hebben op het betrokken adres, kan de inschrijving op een latere datum gebeuren, maar nooit later dan de datum van de positieve vaststelling van verblijfplaats.

    Het onderzoek van verblijfplaats kan leiden tot een schrapping van een fictieve inschrijving, maar eveneens tot een aanpassing van de samenstelling van het gezin. De twee personen die hun inschrijving op hetzelfde adres vragen, kunnen immers misschien een gezin vormen.

    Als de twee personen niet erkennen dat ze een huishouden vormen, moet de gemeente een beslissing nemen op basis van de tijdens het onderzoek verzamelde elementen. Als de twee personen een inschrijving als alleenstaanden vragen, kan de bevoegde gemeenteambtenaar dus verzoeken om als ooggetuige de inrichting van de plaatsen vast te stellen en hem alle nodige inlichtingen te laten bezorgen. Als de betrokkenen weigeren mee te werken, gaat de gemeente over tot de inschrijvingen op basis van de beschikbare informatie, en als het in principe gaat over een ééngezinswoning, schrijft ze hen in als gezin.

    Bij moeilijkheden of betwistingen in dit verband kan het dossier ook voorgelegd worden aan de FOD Binnenlandse Zaken.

  • Bestaan er sancties in geval van inbreuken die begaan worden door de gemeentelijke overheden?

    Het houden van de bevolkingsregisters behoort tot de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen en de ambtenaar van de burgerlijke stand. Grove nalatigheden kunnen bestraft worden overeenkomstig de regionale wetgevingen op dit gebied. Bovendien is de boete, bepaald in artikel 23 van het besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, eveneens gericht op de inbreuken die door de gemeentebesturen gepleegd worden.

Voorlopige inschrijving

Toon alle antwoorden
Verberg alle antwoorden
  • Kan er een klacht ingediend worden tegen een weigering tot een voorlopige inschrijving en bij welke instantie?

    In dit geval kan er geen administratief beroep bij de Minister van Binnenlandse Zaken worden ingesteld maar zijn de gewone rechtbanken bevoegd. Betwistingen over een voorlopige inschrijving vallen niet onder artikel 8 van de wet van 19 juli 1991 aangezien het hier niet gaat over de realiteit van de hoofdverblijfplaats maar over het al dan niet voldoen aan de voorwaarden.

  • Laat de wet het toe om de inschrijving te weigeren van personen die weekend- en vakantieparken als hoofdverblijfplaats willen aangeven?

    Volgens de bepalingen van artikel 1, §1, eerste en tweede lid, en van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen wordt eenieder, van wie de hoofdverblijfplaats ontegensprekelijk is vastgesteld in gebouwen waar permanente bewoning niet is toegelaten om reden van veiligheid, gezondheid, urbanisme of ruimtelijke ordening, door de gemeente voorlopig ingeschreven aan dat adres in de bevolkingsregisters.

    Wanneer personen om hun inschrijving verzoeken in gebouwen waar permanente bewoning niet is toegelaten om reden van veiligheid, gezondheid, urbanisme of ruimtelijke ordening, dient bijzondere aandacht besteed te worden aan de controle van de hoofdverblijfplaats; in sommige gevallen bestaat de hoofdverblijfplaats nog in een andere gemeente. Indien de bezetting van het gebouw ter zake slechts occasioneel of tijdelijk is, verantwoordt zij dus niet een inschrijving als hoofdverblijf.

    Het is de plicht en de verantwoordelijkheid van de gemeente om de regionale, strafrechtelijke en administratieve procedures op te starten die voorzien zijn in de reglementering die een normale inschrijving niet toelaat.

    De voorlopige inschrijving neemt een einde zodra de betrokkenen de woning hebben verlaten of zodra een einde wordt gesteld aan de onrechtmatige toestand.

  • Wanneer spreekt men van een “afzonderlijke verblijfplaats”? Wat moet er gebeuren als er geen aparte nummering/indexering toegekend werd?

    ‘Samenleven’ moet beschouwd worden als het beslissend criterium om te bepalen of personen al dan niet een gezin vormen. Dat criterium kan afgebakend worden dank zij feitelijke elementen zoals bijvoorbeeld : de inrichting van de plaatsen (gemeenschappelijk gebruik van keuken, badkamer, …) en de afrekeningen voor telefoon, internet en energieverbruik (één afrekening voor dezelfde woning). Het begrip gezin of huishouden in de zin van de onderhavige onderrichtingen kan niet worden afgeleid van, noch beïnvloed worden door het al dan niet verkrijgen van bepaalde sociale voordelen.

    ‘Samenleven’ dient te worden begrepen als dezelfde wooneenheid delen zonder dat hierbij dient rekening te worden gehouden met eventuele affectieve en/ of financiële banden tussen de betrokken personen.

    Het niet samenleven wordt vertaald in de vaststelling dat een persoon een apart gezin vormt. Betrokkene vormt een afzonderlijk gezin indien meerdere feitelijke elementen dit aantonen (vb. betrokkene beschikt over een afzonderlijke keuken en een afzonderlijke badkamer, betrokkene kan afzonderlijke afrekeningen voor telefoon, internet en/of energieverbruik voorleggen, betrokkene kan door middel van een geregistreerde huurovereenkomst aantonen dat hij een gedeelte van de woning huurt van de andere bewoners, er zijn afzonderlijke ingangen, afzonderlijke deurbellen en brievenbussen…). Vooral de aanwezigheid van een afzonderlijke keuken en een afzonderlijke badkamer of sanitair gedeelte zijn hierbij van doorslaggevend belang. Wanneer slechts één van voormelde feitelijke elementen voorhanden is, volstaat dit niet om betrokkene als een apart gezin te beschouwen. Het komt hierbij aan de gemeente toe om zich ervan te gaan vergewissen of voormelde feitelijke elementen al dan niet daadwerkelijk aanwezig zijn en effectief worden gebruikt. Het is om die reden dan ook aangewezen dat in het verslag met betrekking tot het onderzoek van de reële verblijfplaats uitdrukkelijk wordt vermeld op basis van welke van voormelde feitelijke elementen wordt geoordeeld dat de betrokken bewoners een afzonderlijk gezin vormen (zie modelformulier onder punt 81 van de Onderrichtingen).

    Indien, op basis van voormelde feitelijke elementen, wordt vastgesteld dat de woning uit meerdere afzonderlijke wooneenheden bestaat, dient door de gemeente te worden voorzien in (een) bijkomend(e) huisnummer(s).

    Indien dit werd gerealiseerd zonder stedenbouwkundige vergunning, worden de bewoners van de afzonderlijke wooneenheden voorlopig ingeschreven als aparte gezinnen.

  • Mogen er meerdere, aparte gezinnen hun hoofdverblijfplaats hebben aan hetzelfde adres / in dezelfde woonst ?

    ‘Samenleven’ dient te worden begrepen als dezelfde wooneenheid delen zonder dat hierbij rekening dient te worden gehouden met eventuele affectieve en/ of financiële banden tussen de betrokken personen.

    Het niet samenleven wordt vertaald in de vaststelling dat een persoon een apart gezin vormt.

    Opgelet! In haar arrest van 9 oktober 2017 maakte het Hof van Cassatie duidelijk dat de notie “samenwonen” dient beoordeeld te worden in functie van de toepasselijke wetgeving. De notie “samenwonen” in de bevolkingswetgeving dient in dat opzicht duidelijk onderscheiden te worden van de notie “samenwonen” voorzien in, bijvoorbeeld, een sociale wetgeving. Het bestreden arrest van het Arbeidshof van Gent dd. 5 september 2016, oordeelde dus correct dat een inschrijving in gezinsverband in de bevolkingsregisters niet belet dat de betrokkenen in hoofde van een sociale wetgeving als alleenstaanden kunnen beschouwd worden.

    De regionale overheden hebben echter uitzonderingen hierop gedefinieerd : het zorgwonen, tijdelijke opvang, gemeenschappelijke woning of collectieve woning.

    Wanneer de strikte voorwaarden die vereist zijn om van ‘zorgwonen’ of van een ‘gemeenschappelijke woning’ of ‘collectieve woning’ of ‘tijdelijke opvang’ te kunnen spreken niet vervuld zijn, moeten de betrokken personen ambtshalve ingeschreven worden als deel uitmakend van éénzelfde gezin. Deze voorwaarden dienen restrictief te worden geïnterpreteerd, omdat het een uitzondering betreft op de in §1 vermelde algemene principes. Het is aan de gemeente (met name de Dienst Stedenbouw) om de conformiteit met de vereiste voorwaarden in de regionale reglementering voor dit type woningen na te gaan.

    Vlaanderen: zorgwonen

    Voormelde principes gelden evenmin in het geval van ‘zorgwonen’, zoals dit wordt omschreven in artikel 4.1.1.18° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (zie www.ruimtevlaanderen.be).

    In voorkomend geval worden de bewoners van de ondergeschikte wooneenheid steeds als een afzonderlijk gezin beschouwd, terwijl deze worden ingeschreven onder hetzelfde huisnummer als de bewoners van de hoofdwooneenheid (wooncode (LOG.) 01 in het I-T-140). De ondergeschikte wooneenheid moeten beschikken over hetzij individueel sanitair, hetzij een afzonderlijke keuken. Er is slechts sprake van zorgwonen wanneer aan de hiernavolgende voorwaarden is voldaan:

    1. in een bestaande woning wordt één ondergeschikte wooneenheid gecreëerd,
    2. de ondergeschikte wooneenheid vormt één fysiek geheel met de hoofdwooneenheid (de twee eenheden kunnen niet onafhankelijk van elkaar functioneren, omdat er meerdere gezamenlijke zones zijn),
    3. de ondergeschikte wooneenheid, daaronder niet begrepen de met de hoofdwooneenheid gedeelde ruimten, maakt ten hoogste één derde uit van het bouwvolume van de volledige woning,
    4. de creatie van de ondergeschikte wooneenheid gebeurt met het oog op het huisvesten van een huishouden van maximaal twee personen, van wie één persoon:
      1. hetzij 65 jaar of ouder is,
      2. hetzij zorgbehoevend is,

        Een zorgbehoevende is een persoon met een handicap of een persoon die in aanmerking komt voor een zorgverzekeringstegemoetkoming, voor een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden of voor een basisondersteuningsbudget, overeenkomstig artikel 4, eerste lid, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, of een persoon die nood heeft aan ondersteuning om zich in het thuismilieu te kunnen handhaven.

        De kinderen ten laste van de zorgbehoevende persoon worden niet meegerekend voor de bepaling van het maximale aantal van twee personen.

      3. hetzij de zorgverlener is indien de personen, vermeld in punt 1 of 2, gehuisvest blijven in de hoofdwooneenheid.
    5. de eigendom, of tenminste de blote eigendom, op de hoofd- en de ondergeschikte wooneenheid berust bij dezelfde titularis of titularissen.

    De begin- en einddatum van het gebruik van een huisvesting in het kader van “zorgwonen” moeten meegedeeld worden aan de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente, zoals beschreven in artikel 4.2.4, §1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

    “Zorgwonen” impliceert dat er sprake is van een zorgsituatie op het ogenblik van de aangifte. Toekomstige of hypothetische zorgsituaties (bijvoorbeeld een kangoeroewoning aanbieden voor de huur) komen niet in aanmerking. Overtredingen moeten gemeld worden aan de bevoegde dienst en mogen nooit leiden tot de toepassing van een vrijstelling wegens een zorgsituatie.

    Vlaanderen: tijdelijke opvang

    Voormelde principes gelden ook niet in het geval van ‘tijdelijke opvang’, zoals dit wordt omschreven in artikel 5, §1, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

    In voorkomend geval worden de bewoners van de ondergeschikte wooneenheid steeds als een afzonderlijk gezin beschouwd, terwijl deze worden ingeschreven onder hetzelfde huisnummer als de bewoners van de hoofdwooneenheid (wooncode (LOG.) 05 in het I-T-140).

    Artikel 34 legt de hiernavolgende voorwaarden op:

    1. in een bestaande woning wordt één ondergeschikte wooneenheid gecreëerd;
    2. de ondergeschikte wooneenheid vormt één fysiek geheel met de hoofdwooneenheid;
    3. de ondergeschikte wooneenheid, daaronder niet begrepen de met de hoofdwooneenheid gedeelde ruimten, maakt maximaal één derde uit van het bouwvolume van de volledige woning;
    4. de creatie van de ondergeschikte wooneenheid gebeurt met het oog op het huisvesten van:
      1. hetzij asielzoekers en vluchtelingen die op grond van artikel 6, §-1, vierde lid, en artikel 8, §-1, van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, de opvang van Fedasil moeten verlaten;
      2. hetzij burgers wiens woning onbewoonbaar is geworden door onvoorziene omstandigheden;
    5. de huisvesting is tijdelijk voor een totale duur van maximaal drie jaar per goed;
    6. de eigendom, of ten minste de blote eigendom, op de hoofd- en de ondergeschikte wooneenheid berust bij dezelfde titularis of titularissen.

    Wallonië: gemeenschappelijke woning

    Voormelde principes gelden niet bij bewoning van een ‘gemeenschappelijke woning’ zoals bedoeld in artikel 1, 6°, van de Waalse Huisvestingscode van 29 oktober 1998 (Belgisch Staatsblad van 4 december 1998), waarvan de verhuurder in het bezit is van een verhuurvergunning.

    In voorkomend geval worden de bewoners van de verschillende wooneenheden als afzonderlijke gezinnen beschouwd, maar worden zij allen ingeschreven onder hetzelfde huisnummer (wooncode (LOG.) 02 in het IT 140).

    Hierbij dient te worden opgemerkt dat deze gemeenschappelijke woning, zoals elke woning, dient te beantwoorden aan de vereisten opgelegd door artikel 10 van de Waalse Huisvestingscode (naleving van de gezondheidscriteria, de gemeenteverordeningen op het gebied van gezondheid en brandveiligheid, de waarborg van de onschendbaarheid van de woning en de bescherming van het privéleven en de inachtneming van de bepalingen van toepassing op het gebied van ruimtelijke ordening en stedenbouw). Wat betreft de onschendbaarheid van de woning en de bescherming van het privéleven, heeft de Waalse Regering ten aanzien van de verhuurder van de gemeenschappelijke woning de volgende verplichtingen opgelegd:

    1. de toegang tot het gebouw, evenals tot iedere woningeenheid, moet voorzien zijn van deuren die op slot kunnen worden gedaan. De huurder moet in het bezit zijn van twee exemplaren van de nodige sleutels voor de toegang tot het gebouw en de gedeelten die hij persoonlijk bewoont;
    2. hetzelfde gezin moet toegang hebben tot ieder woonvertrek voor eigen gebruik zonder door een woonvertrek voor eigen gebruik van een ander gezin te moeten komen;
    3. alle wc’s, waskamers, badkamers moeten op slot kunnen worden gedaan, behalve wanneer de betrokken lokalen slechts toegankelijk zijn voor het gezin dat de betrokken woning bewoont:
    4. de hoofdingang moet voorzien zijn van individuele bellen zodat ieder gezin rechtstreeks kan worden opgezocht;
    5. ieder gezin moet beschikken over een brievenbus die op slot kan worden gedaan.

    Voormelde vereisten gelden echter niet voor woningen die deel uitmaken van het gebouw waar de verhuurder zijn hoofdverblijfplaats heeft, en dat aan maximum twee gezinnen wordt verhuurd of te huur aangeboden, voor zover de verhuurde goederen door ten hoogste vier personen worden bewoond (artikel 9, lid 2, van de Waalse Huisvestingscode).

    Brussel: collectieve woning

    Voormelde principes gelden evenmin in het geval van bewoning van een ‘collectieve woning’ zoals bedoeld in artikel 1, 5°, van het Besluit van 4 september 2003 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot bepaling van de elementaire verplichtingen inzake veiligheid, gezondheid en uitrusting van de woningen (Belgisch Staatsblad van 19 september 2003).

    Ook in dit geval worden de bewoners van de verschillende wooneenheden als afzonderlijke gezinnen beschouwd, maar worden zij allen ingeschreven onder hetzelfde huisnummer (wooncode (LOG.) 03 in het IT 140).

    Zoals elke woning, dient ook de collectieve woning te beantwoorden aan de minimale normen op het gebied van veiligheid, gezondheid en uitrusting, zoals opgelegd door voormeld Besluit van 4 september 2003 van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering.

    De bepaling van het ‘collectief karakter’ van een woning is een exclusieve gewestelijke bevoegdheid. Het komt dan ook niet aan de wijkinspecteurs, noch aan de bevolkingsinspecteurs toe om hierover uitspraak te doen.

    Ten-einde elk misbruik van deze uitzondering tegen te gaan, zal een ‘collectieve woning’ slechts als dusdanig worden erkend op basis van een officieel document waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de woning beantwoordt aan de gewestelijke stedenbouwkundige vereisten om in aanmerking genomen te worden als ‘collectieve woning’ voor het Waalse Gewest.

Niet-ontvoogde minderjarige

Toon alle antwoorden
Verberg alle antwoorden
  • Waar moet men een minderjarige worden inschrijven? Quid in het geval van scheiding van de ouders?

    Een niet-ontvoogde minderjarige heeft zijn wettelijke woonplaats op de gezamenlijke verblijfplaats van zijn ouders of, indien de ouders niet meer samenleven, op de verblijfplaats van één van beide ouders.

    Indien de minderjarige effectief zijn hoofdverblijf heeft op het adres van zijn wettelijke woonplaats, dient hij er dan ook te worden ingeschreven in de bevolkingsregisters. Met ‘hoofdverblijf’ wordt bedoeld: de plaats waar de minderjarige effectief verblijft gedurende het grootste gedeelte van het jaar.

    Indien de minderjarige echter zijn hoofdverblijf zou hebben op een ander adres dan op het adres van de wettelijke woonplaats (vb. bij grootouders of een ander familielid, bij een derde, bij pleegouders, in een instelling), dient de minderjarige te worden ingeschreven op het adres van zijn hoofdverblijf. In voorkomend geval dient de gemeente in het rijksregisterdossier van deze minderjarige wel melding te maken van de wettelijke woonplaats (onder het IT 027).

  • Waar dient een minderjarige die onder voogdij is geplaatst, te worden ingeschreven?

    Een niet-ontvoogde minderjarige die onder voogdij is geplaatst heeft zijn wettelijke woonplaats bij zijn voogd.

    Indien de minderjarige effectief zijn hoofdverblijf heeft op het adres van zijn voogd, dient hij er dan ook te worden ingeschreven.

    Indien de minderjarige echter zijn hoofdverblijf zou hebben op een ander adres dan op het adres van zijn voogd, dient hij/zij te worden ingeschreven op het adres van zijn/haar hoofdverblijf. In dit geval dient de gemeente in het rijksregisterdossier van de minderjarige wel melding te maken van de wettelijke woonplaats (onder het IT 027).

  • Waar dient een minderjarige te worden ingeschreven in het geval door de rechtbank werd bepaald dat hij/zij dient te worden ingeschreven op het adres van de ene ouder, terwijl hij zijn hoofdverblijf effectief heeft op het adres van de andere ouder?

    Wanneer de ouders niet samenleven en zij geen overeenstemming bereiken over de uitoefening van het ouderlijk gezag, kan de rechter het adres bepalen waar de minderjarige in de bevolkingsregisters dient te worden ingeschreven. Deze mogelijkheid is uitdrukkelijk voorzien in artikel 374,§ 1, laatste lid, van het burgerlijk wetboek.

    De minderjarige kan pas op het door de rechter bepaalde adres worden ingeschreven, indien hij er ook effectief zijn hoofdverblijf heeft.

    Indien de minderjarige echter zijn hoofdverblijf zou hebben op een ander adres dan op het adres dat door de rechter werd bepaald, dient hij/zij te worden ingeschreven op het adres van zijn/haar hoofdverblijf. In dit geval dient de gemeente in het rijksregisterdossier van de minderjarige wel melding te maken van de door de rechter bepaalde hoofdverblijfplaats (onder het IT 027).

  • Waar dient de minderjarige te worden ingeschreven wanneer de ouders gescheiden leven en er een regeling van verblijfsco-ouderschap wordt toegepast?

    In het geval de ouders gescheiden leven komt het vaak voor dat, hetzij door de rechter, hetzij door de ouders zelf, een regeling werd uitgewerkt waarbij de minderjarige op een gelijkmatig verdeelde wijze bij elk van beide ouders verblijft (50% van de tijd bij de ene ouder en 50 % van de tijd bij de andere ouder).

    In dergelijke situaties dient de minderjarige, in principe, ingeschreven te blijven op het adres van de laatste rechtmatige inschrijving (d.w.z. op het adres waar de minderjarige stond ingeschreven vóórdat de scheiding tussen beide ouders tot stand kwam).

    Indien de rechter evenwel zou hebben bepaald bij welke ouder de minderjarige dient te worden ingeschreven, dient het adres van de laatste rechtmatige inschrijving niet te worden gevolgd en dient de minderjarige te worden ingeschreven op het adres dat door de rechter werd bepaald. Hetzelfde geldt ook wanneer de ouders in een notariële akte of in een door de rechtbank gehomologeerd akkoord zouden hebben bepaald op welk adres de minderjarige dient te worden ingeschreven.

    Indien het klaarblijkelijk niet mogelijk is om de inschrijving van de niet-ontvoogde minderjarige te regelen overeenkomstig de voormelde modaliteiten, gebeurt de inschrijving op het adres van de hoofdverblijfplaats van de ouder die de kinderbijslag krijgt, in afwachting van de uitspraak van de hoven en rechtbanken.

  • Wat dient te gebeuren met de inschrijving van een minderjarig kind indien één van de ouders dit kind heeft ontvoerd naar het buitenland?

    Als een minderjarig kind door één van de ouders naar het buitenland werd ontvoerd en de betrokken ouder hiervoor werd veroordeeld, dient dit minderjarig kind niet van ambtswege te worden afgevoerd van de bevolkingsregisters. Dit kind wordt in dit geval beschouwd als tijdelijk afwezig zonder enige tijdsbeperking, zodat het verder ingeschreven dient te blijven op het adres waar het vóór de ouderlijke ontvoering stond ingeschreven.

  • Waar dienen minderjarigen die in een jeugdinstelling of een MPI geplaatst zijn te worden ingeschreven?

    Een minderjarige die is geplaatst in een jeugdinstelling of een MPI, dit met toepassing van de wet van 8 april 1965 inzake de jeugdbescherming of de regelgeving inzake de bijzondere jeugdbijstand, kan gedurende zijn verblijf in deze instelling worden beschouwd als tijdelijk afwezig op het adres waar hij stond ingeschreven voorafgaand aan de plaatsing, op voorwaarde dat hij nog regelmatig contact onderhoudt met de persoon of de personen op wiens adres hij nog staat ingeschreven.

    Als blijkt dat de betrokken minderjarige, gedurende zijn verblijf in de instelling, geen contacten meer onderhoudt met de persoon of de personen op wiens adres hij staat ingeschreven, dient hij te worden ingeschreven op het adres van de instelling.

  • Wat dient te gebeuren met de inschrijving van minderjarigen die bij een particulier zijn geplaatst?

    Een minderjarige die (door de jeugdrechter of het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg) wordt geplaatst bij een particulier (vb. bij pleegouders), dient te worden ingeschreven op het adres van de persoon bij wie hij werd geplaatst.

    Soms gebeurt het dat minderjarigen voorlopig worden geplaatst of voor een kortstondige periode worden toevertrouwd aan een particulier, dit in afwachting van een definitieve plaatsing. In dergelijke gevallen kunnen deze minderjarigen als tijdelijk afwezig worden beschouwd op het adres waar zij staan ingeschreven, op voorwaarde dat deze voorlopige plaatsing in geen geval langer duurt dan 6 maanden.

  • Kan een minderjarige als alleenstaande worden ingeschreven?

    Een niet-ontvoogde minderjarige kan slechts als alleenstaande kan worden ingeschreven in de bevolkingsregisters in hoogst uitzonderlijke omstandigheden indien geen andere inschrijvingsmogelijkheid bestaat. In de hieronder beschreven situaties is dit evenwel logisch verantwoord :

    • een niet-ontvoogde minderjarige die werkelijk alleen woont op een adres, zonder dat er sprake is van een artificieel gecreëerde situatie met oog op het bekomen van bepaalde voordelen (rechtsmisbruik)
    • een niet-ontvoogde minderjarige die samen woont met zijn ouders, dewelke evenwel geen verblijfsrecht hebben en dus niet ingeschreven kunnen worden in de registers.
  • Welke ouder dient de minderjarige te vergezellen bij de aangifte van een adresverandering wanneer beide ouders samenwonen? Wordt ook het akkoord van de andere ouder vereist?

    Het volstaat dat een niet-ontvoogde minderjarige bij de aangifte van een adresverandering wordt vergezeld door één van zijn ouders, op voorwaarde dat deze ouder niet is ontzet uit het ouderlijk gezag.

    Het uitdrukkelijk akkoord van de andere ouder wordt niet vereist. Er wordt ook niet vereist dat de andere ouder door de gemeente in kennis wordt gesteld van de aangifte van adreswijziging.

  • Welke ouder dient de minderjarige te vergezellen bij de aangifte van een adresverandering wanneer de ouders niet meer samenwonen? Wordt dan het akkoord van de andere ouder vereist?

    Ook in dit geval volstaat het dat de niet-ontvoogde minderjarige bij de aangifte van een adreswijziging wordt vergezeld door één van zijn ouders, op voorwaarde dat deze ouder niet is ontzet uit het ouderlijk gezag of dat het ouderlijk gezag door de rechter niet exclusief werd toegewezen aan de andere ouder.

    Het uitdrukkelijk akkoord van de andere ouder met de gevraagde adreswijziging wordt evenmin vereist.

    Wel dient de gemeente de andere ouder in kennis te stellen van de aangifte van de adreswijziging, tenzij deze laatste zijn hoofdverblijfplaats zou hebben gevestigd in het buitenland, behalve bij een inschrijving in een consulair register, of van ambtswege zou zijn afgevoerd uit de bevolkingsregisters.

  • Wanneer een minderjarige ingeschreven staat op het adres van een derde, dient hij dan te worden vergezeld door één van zijn ouders wanneer hij aangifte doet van een adresverandering?

    Nee. Van zodra de minderjarige de verblijfplaats van zijn ouders heeft verlaten en hij op het adres van een derde staat ingeschreven, is het niet meer noodzakelijk dat de minderjarige bij de aangifte van een adreswijziging wordt vergezeld door één van zijn ouders. Het volstaat dat de gemeente in dit geval de ouders van de minderjarige op de hoogte brengt van de adreswijziging.

  • Dient in het geval van een plaatsing van een minderjarige deze ook te worden vergezeld door één van zijn ouders bij de aangifte van de adreswijziging?

    Indien de adreswijziging van de minderjarige het gevolg is van een plaatsing van deze minderjarige bij een particulier of in een instelling, dient de minderjarige echter niet te worden vergezeld door één van zijn ouders. In dergelijke situaties volstaat het dat deze minderjarige bij de aangifte van de adreswijziging wordt bijgestaan door de particulier of de vertegenwoordiger van de instelling bij wie hij werd geplaatst. Wel dient in dit geval een document te worden voorgelegd van de instantie die de plaatsing heeft bevolen.

  • Wat als een minderjarige, nadat hij al eerder zijn hoofdverblijf had overgebracht van het adres van zijn vader naar het adres van zijn moeder, opnieuw zijn hoofdverblijf overbrengt naar het adres van zijn vader? ...

    ... Moet hij bij deze nieuwe adreswijziging opnieuw vergezeld worden door één van zijn ouders?

    Ja, de minderjarige dient ook in dit geval bij de aangifte van adreswijziging opnieuw te worden vergezeld door één van zijn ouders.

  • Wat als de ouder aan wie de kennisgeving van de adreswijziging werd gedaan zich bij de gemeente aanbiedt met een vonnis waaruit blijkt dat de ouder die de minderjarige vergezelde bij de aangifte van de adreswijzing niet het ouderlijk gezag uitoefent?

    Het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege schrijft, op de datum waarop hun aanwezigheid in de gemeente werd vastgesteld, eveneens de niet-ontvoogde minderjarigen van ambtswege in die zich gevestigd hebben op een andere hoofdverblijfplaats, maar voor wie geen rechtmatige aangifte van adreswijziging werd of kan worden ingediend.

    Dergelijke inschrijving van ambtswege wordt ook uitgevoerd indien de niet-ontvoogde minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben gevestigd bij een ouder die uit zijn ouderlijk gezag werd ontheven of ten opzichte van wie het exclusieve toezicht werd toegewezen aan de andere ouder.

    De personen die het gezag uitoefenen over deze minderjarigen worden op de hoogte gebracht van deze inschrijving van ambtswege.

Referentieadressen

Toon alle antwoorden
Verberg alle antwoorden
  • Wie kan het voorwerp uitmaken van een inschrijving op een referentieadres en welke zijn daarvoor de modaliteiten?

    De notie van referentieadres wordt gedefinieerd in artikel 1, §2, tweede lid van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

    Onder “referentieadres” wordt verstaan het adres van ofwel een natuurlijke persoon die is ingeschreven in het bevolkingsregister op de plaats waar hij zijn hoofdverblijf heeft gevestigd, of wel een rechtspersoon, en waar, met de toestemming van deze natuurlijke persoon of rechtspersoon, een natuurlijke persoon zonder vaste verblijfplaats is ingeschreven.

    De mogelijkheid om op een referentieadres ingeschreven te worden is strikt beperkt tot de hierna vermelde categorieën van personen:

    1. de personen die in een mobiele woning verblijven;
    2. de personen die bij gebrek aan voldoende bestaansmiddelen geen verblijfplaats hebben of meer hebben;
    3. de gedetineerden, met name de Belgen en de vreemdelingen die toegelaten of gemachtigd zijn om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven, die niet voldoen aan de voorwaarden voor een tijdelijke afwezigheid (zie verder onder punt 115) op voorwaarde dat ze opgesloten zijn in het binnenland;
    4. de personen die, om beroepsredenen, geen hoofdverblijfplaats (meer) hebben voor een maximale duur van één jaar ; deze tijdsbeperking geldt niet voor de gevallen die zijn vermeld in het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters, artikel 20 §2, namelijk:
      • het militair personeel en burgerpersoneel van de Belgische strijdkrachten dat in het buitenland gestationeerd is, de militairen die in het buitenland gedetacheerd zijn, hetzij bij internationale of supranationale organismen, hetzij bij een militaire basis in het buitenland, voor de duur van hun stationering of detachering;
      • de personeelsleden van de federale politie die gedetacheerd zijn uit het Koninkrijk, die ofwel het militaire personeel en burgerpersoneel van de Belgische strijdkrachten in het buitenland begeleiden, ofwel een specifieke opdracht vervullen in het buitenland, voor de duur van hun begeleiding of opdracht;
      • de dienstplichtigen onder de wapens en de gewetensbezwaarden voor de duur van hun dienst, de dienstplichtigen die vrijstelling van militaire dienst genieten krachtens artikel 16 van de op 30 april 1962 gecoördineerde dienstplichtwetten, voor de duur van hun dienst of hun coöperatieopdracht;
      • de federale, gewestelijke en gemeenschapsambtenaren die een functie opnemen op een Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland, op voorwaarde dat zij een hiërarchische band hebben met het posthoofd en dat zij ingeschreven worden op de diplomatieke lijst van de voornoemde vertegenwoordiging, voor de duur van hun opdracht;
      • de personen die op coöperatieopdracht gestuurd worden door verenigingen die erkend zijn krachtens de wet van 19 maart 2013 betreffende de Belgische ontwikkelingssamenwerking, voor de duur van hun coöperatieopdracht.

    De mogelijkheid om een referentieadres te hebben bij een rechtspersoon is strikt beperkt tot:

    • De rondtrekkende bevolkingsgroepen op het adres van een vzw, een stichting of een vennootschap met sociaal oogmerk die minstens vijf jaar rechtspersoonlijkheid geniet. Deze rechtspersonen dienen zich in hun statuten tot doel te hebben gesteld onder meer de belangen van één of meer rondtrekkende bevolkingsgroepen te behartigen of te verdedigen;
    • De daklozen op het adres van het OCMW van de gemeente waar zij gewoonlijk vertoeven.

    De bepaling van een referentieadres veronderstelt niet alleen het akkoord van de persoon die op dat adres is ingeschreven, maar ook de zekerheid dat deze laatste zal tussenkomen om de briefwisseling op te halen en door te sturen naar de geadresseerde. Een adres poste restante is dus geen referentieadres, evenals een eenvoudige brievenbus in een gebouw, waar niemand zal zorgen voor de eventuele briefwisseling.

    Ten slotte is de inschrijving op een referentieadres beperkt tot het adres vermeld in de aanvraag en het akkoord. In geval van adreswijziging van de verstrekker moet er een nieuwe aanvraag worden ingediend.

    Er kan een vergoeding gevraagd worden voor een inschrijving op een referentieadres, maar deze mag in geen geval hoger zijn dan de bijkomende kosten die deze inschrijving met zich meebrengt.

  • Kan mijn werkloosheidsuitkering verminderd worden als ik ermee akkoord ga dat een persoon zijn referentieadres bij mij neemt?

    Het referentieadres is ofwel het adres van een natuurlijke persoon die ingeschreven is in de bevolkingsregisters op de plaats waar deze zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, ofwel het adres van een rechtspersoon, en waar, met het akkoord van deze natuurlijke of rechtspersoon, een natuurlijke persoon zonder verblijfplaats ingeschreven wordt.

    Aangezien er niet « werkelijk » wordt samengewoond, heeft het feit dat iemand een persoon een referentieadres geeft bij zich thuis geen impact op het leefloon, de werkloosheidsuitkeringen enz.

  • Mag een persoon die om beroepsredenen in het buitenland verblijft, een referentieadres in België hebben?

    Ja, de personen die, om beroepsredenen, geen hoofdverblijfplaats (meer) hebben, mogen een referentieadres hebben voor maximaal één jaar.

  • Wat de nomaden betreft, vragen veel personen hun inschrijving op een referentieadres op éénzelfde adres. Is er een maximum aantal personen dat mag worden ingeschreven op éénzelfde plaats als referentieadres?

    Overeenkomstig de van kracht zijnde bepalingen, is het toegelaten voor rondtrekkende personen zonder vaste verblijfplaats om zich in te schrijven op het (referentie)adres van een rechtspersoon die zich in zijn statuten tot doel heeft gesteld de belangen van deze rondtrekkende bevolkingsgroepen te behartigen, of op het adres van een natuurlijke persoon. Onder rondtrekkende bevolkingsgroepen dient inzonderheid verstaan te worden de nomaden, zigeuners, marktkooplieden, circusartiesten en binnenschippers.

    Opdat zij bereikbaar zouden kunnen zijn voor briefwisseling en alle voor hen bestemde administratieve documenten, hadden deze personen daarvóór slechts de mogelijkheid om zich in te schrijven op het referentieadres van een natuurlijk persoon. Een dergelijke inschrijving veroorzaakte echter diverse problemen. Allereerst bevond de continuïteit van deze referentieadressen zich in een onzekere toestand (omdat namelijk de natuurlijke persoon kan verhuizen, ziek worden, zich kan terugtrekken van het aanbieden van een referentieadres,…). Bovendien aanvaardden maar weinig mensen om als referentieadres te fungeren. Derhalve werden grote concentraties van inschrijvingen bij enkele mensen vastgesteld.

    De wetgever heeft geoordeeld dat de mogelijkheid om een referentieadres te hebben bij verenigingen die in hun statuten hebben gesteld de belangen van deze bevolkingsgroepen te behartigen, veel meer waarborgen zou bieden aan de betrokkenen en een betere organisatie van de bevolkingsregisters zou garanderen.

    De natuurlijke persoon of rechtspersoon die de inschrijving van een andere persoon aanvaardt als referentieadres, mag geen winstbejag nastreven. Dit betekent echter niet dat, als tegenprestatie, geen enkele betaling gevraagd mag worden. Het bedrag van deze betaling mag echter niet hoger zijn dan de kosten die werkelijk gedragen werden door de natuurlijke persoon of de rechtspersoon om de functie van referentieadres te vervullen.

    Het maximum aantal personen dat mag worden ingeschreven op éénzelfde adres als referentieadres, wordt door de reglementering niet bepaald. Het college van burgemeester en schepenen is eerst verantwoordelijk voor het houden van de bevolkingsregisters en zal oordelen over het aantal personen dat rechtmatig op éénzelfde referentieadres mag worden ingeschreven. Vanuit het oogpunt van een goed bestuur, lijkt het echter uitgesloten om een onbeperkt aantal personen op éénzelfde referentieadres te laten inschrijven.

    Er moet eveneens op gewezen worden dat het de nomaden zijn die zich nog gedurende het hele jaar verplaatsen, die een beroep kunnen doen op een referentieadres. Meer en meer personen die in een caravan wonen, verblijven immers gedurende het hele jaar of tijdens de winter op een vaste plaats. Deze personen mogen geen gebruik meer maken van een referentieadres, want zij kunnen aldaar ingeschreven worden met hun effectieve verblijfplaats als zij er minstens zes maanden per jaar verblijven.

    In die gevallen is er immers sprake van een feitelijke hoofdverblijfplaats, zodat de gemeente dient over te gaan tot een (voorlopige) inschrijving aan dat adres.

  • Wat biedt een dakloze de mogelijkheid om ingeschreven te worden op het OCMW als referentieadres? Wie geeft de toelating?

    Overeenkomstig het koninklijk besluit van 21 februari 1997 tot bepaling van de voorwaarden om ingeschreven te worden op het adres van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn als referentieadres, worden in beschouwing genomen de personen die, wegens een gebrek aan voldoende bestaansmiddelen, geen verblijfplaats hebben of meer hebben – zij kunnen dus in geen enkel geval ingeschreven worden in een gemeentelijk bevolkingsregister in België – en die vragen om maatschappelijke bijstand in de zin van artikel 57 van de organieke wet van 8 juli 1976 op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn of het recht op maatschappelijke integratie, voorzien door de wet van 26 mei 2002. Met het oog op hun inschrijving in de bevolkingsregisters, geeft het OCMW hun een document waarin wordt bevestigd dat aan de voorwaarden voor een inschrijving op het adres van het centrum is voldaan en gebeurt de inschrijving op de datum van aflevering van het attest.

    De betrokken personen moeten zich minstens één keer per trimester aanmelden bij het OCMW. Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn deelt aan het college van burgemeester en schepenen mee welke personen onder hen niet meer voldoen aan de voorwaarden die vereist zijn om hun inschrijving op het adres van het centrum te behouden. Na inzage van de overgelegde documenten, voert het college van burgemeester en schepenen hen van het bevolkingsregister af.

    De mogelijkheid voor een dakloze om een referentieadres te hebben op het adres van een OCMW, sluit niet uit dat een dakloze een inschrijving op een referentieadres bij een particulier kan aanvragen. Daarbij moeten dezelfde voorwaarden nageleefd worden als bij de inschrijving als referentieadres bij het OCMW.

  • Kan er een klacht ingediend worden tegen een weigering tot inschrijving op een referentieadres en bij welke instantie?

    In dit geval kan er geen administratief beroep bij de Minister van Binnenlandse Zaken worden ingesteld maar zijn de gewone rechtbanken bevoegd. Betwistingen over een referentieadres vallen niet onder artikel 8 van de wet van 19 juli 1991 aangezien het hier niet gaat over de realiteit van de hoofdverblijfplaats maar over het al dan niet voldoen aan de voorwaarden.

Tijdelijke afwezigheid

Toon alle antwoorden
Verberg alle antwoorden
  • Behoudt een tijdelijk afwezige zijn of haar inschrijving in de bevolkingsregisters ?

    Personen die zich tijdelijk of kortstondig buiten de gemeente van hun hoofdverblijfplaats ophouden, blijven ingeschreven in de registers van die gemeente. De beoordeling van en het onderzoek naar de tijdelijke afwezigheid komen aan het betrokken gemeentebestuur toe, onder voorbehoud van de bijzondere regels bepaald in hoofdstuk VI van Deel I van de Algemene Onderrichtingen betreffende het houden van de bevolkingsregisters, alsook van de regels betreffende het recht op terugkeer voor vreemde onderdanen.

    Wanneer uit een buurtonderzoek met politieverslag blijkt dat een persoon sinds meer dan 6 maanden ononderbroken afwezig is op zijn hoofdverblijfplaats zonder aangifte te doen van adreswijziging of zonder melding te maken van zijn tijdelijke afwezigheid, kan dit aanleiding geven tot een afvoering van ambtswege door het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege, voor zover de huidige verblijfplaats van de betrokkene niet bekend is. In bepaalde gevallen kan echter al onmiddellijk tot een afvoering van ambtswege worden overgegaan (bijvoorbeeld wanneer blijkt dat personen niet meer kunnen worden aangetroffen op hun adres waar inmiddels al nieuwe bewoners hun hoofdverblijfplaats hebben gevestigd, terwijl deze nieuwe bewoners niets te maken hebben met de vorige bewoners).

  • Wat is de definitie van een tijdelijke afwezigheid en aan welke kenmerken moet een tijdelijke afwezigheid voldoen?

    Een tijdelijke afwezigheid wordt gedefinieerd als “het feit van niet effectief te verblijven op zijn hoofdverblijfplaats tijdens een bepaalde periode, waarbij er voldoende belangen behouden worden die aantonen dat de reïntegratie in de hoofdverblijfplaats op elk moment mogelijk is”.

    De tijdelijke afwezigheid moet derhalve de volgende kenmerken vertonen:

    • beschikken over een hoofdverblijfplaats waarnaar op elk ogenblik teruggekeerd kan worden;
    • beschikken over een hoofdverblijfplaats waarin men voldoende belangen behoudt, namelijk hetzij een onbewoonde woning, maar voldoende uitgerust en bemeubeld om er effectief te kunnen leven, hetzij een woning bewoond door gezinsleden. Het moet natuurlijk gaan om één of meerdere gezinsleden die reeds in die woning verblijven bij de aanvang van de tijdelijke afwezigheid;
    • de afwezigheid mag niet voor onbepaalde tijd zijn maar moet noodzakelijkerwijs tijdelijk zijn; anders zal de persoon geschrapt worden uit de bevolkingsregisters.

    Of de tijdelijk afwezige persoon nu eigenaar is van zijn hoofdverblijfplaats, of dat hij er huurder van is of er gewoon over mag beschikken, heeft weinig belang: het feit dat de onmiddellijke reïntegratie mogelijk is, is voldoende.

    Elke tijdelijke afwezigheid kan worden aangegeven aan de dienst bevolking van de gemeente van de hoofdverblijfplaats door het daartoe voorziene formulier in te vullen en te bezorgen.

  • Welke is in principe de maximale duurtijd van een tijdelijke afwezigheid ?

    Een tijdelijke afwezigheid mag niet langer duren dan een jaar.

    Een tijdelijke afwezigheid kan éénmaal verlengd worden, zodat een tijdelijke afwezigheid uiteindelijk twee jaar kan duren.

    De betrokkene meldt de verlenging van de tijdelijke afwezigheid door een tweede maal het daartoe voorziene formulier in te vullen en te bezorgen. Nalatigheid kan leiden tot een afvoering van ambtswege.

  • Wanneer wordt een tijdelijke afwezigheid beëindigd?

    De tijdelijke afwezigheid eindigt :

    • indien de aanleiding ervoor ophoudt te bestaan ;
    • indien er nieuwe bewoners worden ingeschreven aan het adres van de hoofdverblijfplaats ;
    • in geval van een klaarblijkelijk einde van de band met het gezin waarvan de betrokkene deel uitmaakte – schriftelijke verklaring door de referentiepersoon van het gezin;
    • zodra de betrokkene meldt dat hij zich opnieuw heeft gevestigd in de hoofdverblijfplaats ;
    • de verlenging ervan niet werd aangegeven ;
    • wanneer de betrokkene vraagt om een effectieve inschrijving aan het adres waar hij verblijft, of om een afvoering naar het buitenland.

    Indien de gemeente geen informatie heeft betreffende de (nieuwe) hoofdverblijfplaats van de betrokkene, wordt de procedure opgestart om hem van ambtswege af te voeren.

    Wanneer wordt vastgesteld dat een burger zich herhaaldelijk beroept op tijdelijke afwezigheid, dient in elk geval te worden onderzocht of de betrokkene nog wel zijn hoofdverblijfplaats heeft in de gemeente.

  • Is een langdurige tijdelijke afwezigheid mogelijk ?

    De voorwaarden inzake de duur en de verlenging van de tijdelijke afwezigheid gelden niet in de volgende gevallen :

    1. de personen die op het Belgisch grondgebied verblijven in verpleeginrichtingen en andere openbare en private instellingen die zieken opvangen, rusthuizen, rust- en verzorgingstehuizen, ziekenhuizen of gedeelten van ziekenhuizen gelijkgesteld met rust- en verzorgingstehuizen, psychiatrische instellingen, evenals de personen die geplaatst werden bij particulieren, voor de duur van hun verblijf met therapeutische en/of medische hulpverleningsdoeleinden;
    2. de personen die opgesloten zijn in strafinrichtingen en inrichtingen voor sociaal verweer, voor de duur van hun opsluiting;
    3. de minderjarigen geplaatst in een instelling in toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming of de wet van 1 maart 2002 betreffende de voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, voor de duur van hun plaatsing;
    4. het militair personeel en burgerpersoneel van de Belgische strijdkrachten dat in het buitenland gestationeerd is, de militairen die in het buitenland gedetacheerd zijn, hetzij bij internationale of supranationale organismen, hetzij bij een militaire basis in het buitenland, alsook de leden van hun gezin, voor de duur van hun stationering of detachering;
    5. de personeelsleden van de federale politie die afwezig zijn uit het Koninkrijk, alsook de leden van hun gezin, die ofwel het militaire personeel en burgerpersoneel van de Belgische strijdkrachten in het buitenland begeleiden, ofwel een specifieke opdracht vervullen in het buitenland, voor de duur van hun begeleiding of opdracht;
    6. de dienstplichtigen onder de wapens en de gewetensbezwaarden voor de duur van hun dienst, de dienstplichtigen die vrijstelling van militaire dienst genieten krachtens artikel 16 van de op 30 april 1962 gecoördineerde dienstplichtwetten, voor de duur van hun dienst of hun coöperatieopdracht;
    7. de federale, gewestelijke en gemeenschapsambtenaren die een functie opnemen op een Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland, alsook de leden van hun gezin, op voorwaarde dat zij een hiërarchische band hebben met het posthoofd en dat zij ingeschreven worden op de diplomatieke lijst van de voornoemde vertegenwoordiging, voor de duur van hun opdracht;
    8. de personen die op coöperatieopdracht gestuurd worden door verenigingen die erkend zijn krachtens de wet van 19 maart 2013 betreffende de Belgische ontwikkelingssamenwerking, alsook de leden van hun gezin, voor de duur van hun coöperatieopdracht;
    9. de personen van wie de verdwijning sinds zes maanden of langer gesignaleerd werd aan de lokale of federale politie en dit zonder afbreuk te doen aan de bepalingen met betrekking tot de afwezigen bedoeld in Boek I van Titel IV van het Burgerlijk Wetboek. De tijdelijke afwezigheid eindigt met de terugkeer van de verdwenen persoon of met de vaststelling van zijn overlijden;
    10. de personen die, in het kader van hun beroep, een specifiek werk of een bepaalde opdracht uitvoeren in een andere gemeente van het Koninkrijk of in het buitenland, alsook de leden van hun gezin, voor de duur van hun werk of opdracht;
    11. de leerlingen en studenten ouder dan zestien jaar die financieel nog ten laste zijn van hun ouders en ergens anders verblijven dan op de verblijfplaats van het gezin waartoe zij behoren, voor de duur van hun studies.

    De betrokkene moet de juiste reden vermelden op het aangifteformulier en de nodige bewijsstukken bezorgen.

  • Moeten gevangenen ingeschreven worden in de bevolkingsregisters?

    In principe moeten de gevangenen beschouwd worden als tijdelijk afwezig in hun gemeente van verblijf.

    Een gevangene die deel uitmaakt van een gezin blijft tijdens zijn verblijf in de gevangenis dus ingeschreven in de registers van de gemeente waar het gezin verblijft. Hij volgt eveneens het lot van het gezin bij wijzigingen van de hoofdverblijfplaats.

    De inschrijving van een alleenstaande als zijnde tijdelijk afwezig mag eveneens behouden blijven op voorwaarde dat zijn woning niet bewoond is en hij er nog over voldoende belangen beschikt.

    Nochtans, als de band met het gezin waarvan de gevangene deel uitmaakte tijdens zijn verblijf in de gevangenis verbroken wordt of als de gevangene over geen enkele haardstede (= eigen woonst in huur of eigendom hebben en als alleenstaande ingeschreven) meer beschikt, is het niet mogelijk om de inschrijving op dat adres te behouden. De gevangene zal dan worden ingeschreven aan het referentieadres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar hij voor het laatst stond ingeschreven in de bevolkingsregisters of, indien hij nooit eerder ingeschreven was in de bevolkingsregisters van een gemeente, aan het referentieadres van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de gemeente waar de penitentiaire inrichting ligt. Voor de vreemdelingen moet uiteraard eerst het recht op verblijf worden geverifieerd.

  • Worden verdwenen personen en kinderen die ontvoerd zijn door een van beide ouders beschouwd als tijdelijk afwezig?

    De algemene reglementering inzake bevolking voorziet dat elke persoon moet worden ingeschreven in de registers van de gemeente waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft, op het adres waar hij effectief verblijft gedurende het grootste deel van het jaar.

    Het begrip tijdelijke afwezigheid wordt gebruikt voor de personen waarvan de verdwijning werd aangegeven bij de lokale of federale politie.In het geval van kinderen die in het buitenland worden gehouden door een van hun ouders, wordt het begrip tijdelijke afwezigheid eveneens toegepast voor zover de ouder die het kind bijhoudt in het buitenland strafrechtelijk gestraft werd. Ze worden beschouwd als tijdelijk afwezig zonder beperking in de tijd en blijven dus ingeschreven in de bevolkingsregisters van de gemeente van hun woonplaats en deel uitmaken van het gezin waartoe ze behoren.

Student

Toon alle antwoorden
Verberg alle antwoorden
  • Welke procedure moet worden gevolgd voor de studenten in het kader van de inschrijvingen in de bevolkingsregisters?

    De algemene reglementering inzake bevolking voorziet dat elke persoon moet worden ingeschreven in de registers van de gemeente waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft, op het adres waar hij effectief verblijft gedurende het grootste deel van het jaar.

    Maar voor de studenten die dichtbij de plaats waar ze studeren op « kot » zitten, is men van oordeel dat het om een tijdelijke situatie gaat; zij worden dus beschouwd als tijdelijk afwezig en moeten in hun gezin ingeschreven blijven. Normaal gezien blijven de studenten tijdens deze periode immers ten laste van hun ouders en komen zij regelmatig naar huis voor de week-ends en de schoolvakanties.

    Een van de voornaamste gevolgen van deze situatie is dat de studenten administratief beheerd blijven door de gemeente waar zij ingeschreven zijn, met name voor al hun officiële documenten (identiteitskaart, rijbewijs, enz.), om getuigschriften of attesten te verkrijgen en voor hun kiesverplichtingen.

    Nochtans gaat het niet om een dwingende regel, want de reglementering voorziet dat de student die geen gezin of haardstede meer heeft in zijn gemeente van oorsprong en niet meer ten laste van zijn gezin valt, ingeschreven wordt in de gemeente waar hij effectief verblijft.

    Een student mag dus zijn inschrijving vragen in de registers van de gemeente waar hij studeert. Naast de realiteit van de effectieve verblijfplaats moet de gemeente bijgevolg nagaan of de student niet meer ten laste van zijn gezin valt (dat hij een financiële onafhankelijkheid geniet) en of hij geen gezin of haardstede meer heeft in een andere gemeente.

    Het onderzoek met betrekking tot het effectieve karakter van de hoofdverblijfplaats van een student gebeurt overeenkomstig de bepalingen van het gemeentereglement terzake; de student is ertoe gehouden aan het gemeentebestuur alle elementen te verschaffen die het mogelijk moeten maken de situatie van de verblijfplaats te beoordelen, met name wat zijn financiële onafhankelijkheid betreft.

Woonboot

Toon alle antwoorden
Verberg alle antwoorden
  • Een gezin woont op een schip dat vastgemeerd ligt aan een kaai. Mag de gemeente overgaan tot zijn inschrijving en op welke manier?

    Overeenkomstig artikel 1 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, moet elke persoon worden ingeschreven in de registers van de gemeente waar hij zijn hoofdverblijfplaats gevestigd heeft. De bepaling daarvan is gebaseerd op een feitelijke situatie, dat wil zeggen de vaststelling van een effectief verblijf in de gemeente gedurende het grootste deel van het jaar.

    Voor de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de inschrijving van de personen die in een mobiele woning verblijven, moet er een onderscheid worden gemaakt tussen: een echte verplaatsbare woning en een mobiele woning die haar mobiel karakter verloren heeft, dat wil zeggen gesteund door een ingebouwde installatie of vastgemaakt aan de grond (caravans, boten, enz.).

    In het geval van een mobiele woning worden de personen ingeschreven in de gemeente waar zij gedurende ten minste 6 maanden per jaar verblijven op een vast adres. Tijdens hun verplaatsingen worden de personen die in een mobiele woning verblijven, beschouwd als tijdelijk afwezig. Indien zij het zich grootste deel van het jaar verplaatsen worden ze ingeschreven in de gemeente waar ze een referentieadres hebben(zie de rubriek "Referentieadres").

    Deze inschrijvingsmodaliteiten zijn van toepassing op alle personen die in een verplaatsbare woning verblijven, onafhankelijk van het beroep of de staat (schippers, circusartiesten, kermisreizigers, nomaden). Vereist is dat het schip, de woonwagen of de caravan ook effectief wordt gebruikt als mobiele woning (m.a.w. dat men ermee rondtrekt van de ene naar de andere plaats).

    In de tweede situatie is er geen referentieadres mogelijk voor bewoners van verplaatsbare woningen die een permanente stand- of ligplaats hebben (residentiële caravans, tot woning omgebouwde boten). In voorkomend geval dienen de bewoners te worden ingeschreven op het adres waar deze ‘verplaatsbare woning’ permanent is gevestigd of gelegen. Het referentieadres is aldus niet bedoeld voor bewoners van woonboten. Deze personen beschikken over een vast adres. Zij dienen te worden ingeschreven in de registers op de naam van het dok waar het vaartuig aangemeerd ligt en op het bijhorende kaainummer (desgevallend op de naam van de aanpalende straat met bijhorend nummer).

    Krachtens artikel 1, §1, 1°, tweede lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen kunnen de personen die zich vestigen in een woning waarin permanente bewoning niet is toegelaten om redenen van veiligheid, gezondheid, urbanisme of ruimtelijke ordening, zoals vastgesteld door de daartoe bevoegde gerechtelijke of administratieve instantie, enkel door de gemeente voorlopig worden ingeschreven in de bevolkingsregisters. Hun inschrijving blijft voorlopig zolang de hiertoe bevoegde gerechtelijke of administratieve instantie geen beslissing of maatregel heeft genomen om een einde te maken aan de aldus geschapen onregelmatige toestand. De voorlopige inschrijving neemt een einde zodra de personen de woning hebben verlaten of een einde wordt gesteld aan de onrechtmatige toestand.

Inschrijving van ambtswege

Toon alle antwoorden
Verberg alle antwoorden
  • Wanneer wordt door de gemeente beslist om een persoon ambtshalve in de bevolkingsregisters in te schrijven?

    Het gemeentebestuur spoort de personen op die hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben in de gemeente zonder ingeschreven te zijn in de registers.

    Als deze personen nooit ingeschreven waren in een gemeente van het Rijk, gelast het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege hun inschrijving van ambtswege op de datum waarop hun aanwezigheid in de gemeente vastgesteld werd op basis van een verslag van de ambtenaar van de burgerlijke stand.

    Als deze personen verzuimd hebben de aangifte te doen die is voorgeschreven bij artikel 7 van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, worden ze bij het gemeentebestuur ontboden om deze aangifte te doen.

    Wanneer de voormelde personen geen gevolg geven aan de oproep, schrijft het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege hen van ambtswege in op de datum waarop hun aanwezigheid in de gemeente werd vastgesteld. Van deze gemotiveerde beslissing wordt hun kennis gegeven.

    In geval van een geschil inzake de bepaling van de hoofdverblijfplaats tussen een persoon en diens gemeente, kan het dossier doorgestuurd worden naar de FOD Binnenlandse Zaken om zich over de zaak uit te spreken. Na een bevolkingsonderzoek door de diensten van de FOD Binnenlandse Zaken, kan de inschrijving van ambtswege eveneens gebeuren op grond van een beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken.

  • Wanneer wordt door de gemeente beslist om een minderjarige ambtshalve in de bevolkingsregisters in te schrijven?

    Het college van burgemeester en schepenen of het gemeentecollege schrijft, op de datum waarop hun aanwezigheid in de gemeente werd vastgesteld, eveneens de niet-ontvoogde minderjarigen van ambtswege in die zich gevestigd hebben op een andere hoofdverblijfplaats, maar voor wie geen rechtmatige aangifte van adreswijziging werd of kan worden ingediend.

    Zulke inschrijving van ambtswege wordt ook uitgevoerd indien de niet-ontvoogde minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben gevestigd bij een ouder die uit zijn ouderlijk gezag werd ontheven of ten opzichte van wie het exclusieve toezicht werd toegewezen aan de andere ouder.

    De personen die het gezag uitoefenen over deze minderjarigen worden op de hoogte gebracht van deze inschrijving van ambtswege.

Status BELPIC :
Status RR :
BELPIC werkt stabiel
BELPIC (toegang tot de "natuurlijke personen") is operationeel maar sommige functionaliteiten zijn verstoord
BELPIC is momenteel buiten dienst
Rijksregister werkt stabiel
Het Rijksregister (toegang tot de "natuurlijke personen") is operationeel maar sommige functionaliteiten zijn verstoord
Rijksregister is momenteel buiten dienst